Gedicht bij Hosea 6: 1 – 3 (van Ad den Besten) Gedicht bij Hosea 6: 1 – 3 (van Ad den Besten)
Hoort, allen die verslagen zijt,
verzonken in zwaarmoedigheid,
vermoeid, met schuld beladen,
zit langer niet verlamd terneer!
Laat ons weerkeren tot de Heer,
Hem bidden om genade.

Want onze God is ’t die ons sloeg,
’t was onze schuld die daarom vroeg,
de zonden talloos vele.
Maar Hij wil dat de zondaar leeft;
de hand die ons geslagen heeft
zal onze wonden helen.

Twee dagen zijn wij dood geweest
voor onze Schepper, maar zijn Geest
zal ons ten derden dage
opwekken tot een nieuw bestaan;
herboren zullen wij voortaan
God onze Heer behagen.

Zo zullen wij Hem, groot en klein,
kennen naar Hij gekend wil zijn:
een God vol van genade,
die uit de nacht van onze nood
opglanst als ’t schoonste morgenrood
van alle dageraden.

Zoals na hete zonnebrand
de late regen over ’t land,
zal God ons overstromen.
Zo zal het zijn, zo zal het zijn:
al onze schuld en nood en pijn
wordt van ons afgenomen.

 
terug