De samenleving, het individu en de kerk De samenleving, het individu en de kerk

Mensen kunnen niet zonder elkaar. Als een pasgeborene in de steek wordt gelaten overleeft die niet lang. Kinderen hebben de zorg van ouderen nodig, eerst om te overleven, vervolgens om op te groeien. Wie wij zijn wordt mede bepaald door de mensen om ons heen, die deel uitmaken van ons leven. Ongemerkt wordt zo onze identiteit gevormd. Onze ouders en het gezin waarin we opgroeien spelen daarin vaak een hoofdrol. In het gezin vindt een opgroeiend kind een veilige haven in een soms harde maatschappij. Bij ziekte en gebreken kunnen familieleden als vangnet dienen voor wie moeite heeft overeind te blijven. Het is niet voor niets dat, althans tot voor kort, het gezin of de familie werd beschouwd als de hoeksteen van de samenleving, als een cel in een samenhangend organisme. Maar ook hulp aan buren die dat nodig hadden was heel gewoon. Zorg voor elkaar was vooral zorg voor mensen in de buurt, voor naasten. Tot aan de jaren ’50 van de vorige eeuw was het een algemeen erkende taak van de kerken om behoeftigen te ondersteunen, als dat de draagkracht van de familie te boven ging.

Na het ontstaan van de verzorgingsstaat is dat veranderd. Gezondheidszorg, werkgelegenheid, financiële bijstand werden een taak van de overheid, net als onderwijs, veiligheid en onderhoud van wegen en dijken. Daarmee wordt ook zorg een recht van de ontvanger, en niet meer een gunst van de gever. Een voordeel is dat wie zorg nodig heeft zijn onafhankelijkheid behoudt. Mede als gevolg van die toegenomen zelfstandigheid van elke burger wordt nu de individuele mens beschouwd als de cel van de samenleving. We voldoen aan onze burgerplicht door belasting te betalen, en daarmee de overheid in staat te stellen haar taken uit te voeren. Direct persoonlijk contact met buren is daarmee afgenomen, waardoor eenzaamheid achter gesloten deuren groeit. We denken, vaak ten onrechte, dat we als buren elkaar minder nodig hebben. Daar komt bij dat wij nu meer dan ooit weten hoezeer de rijkdom van de wereld ongelijk verdeeld is. Wij kennen de nood van mensen wereldwijd, en de oproep om de naaste te zijn van mensen in nood is nu grenzeloos geworden. Voor wegkijken, zoals de priester en de Leviet deden in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, is geen verontschuldiging.

Geen mens gedijt zonder persoonlijk contact. Een kerkelijke gemeente is een verband waar mensen elkaar persoonlijk ontmoeten, en belangeloos en zonder winstoogmerk naar elkaar omzien. Daar komen we elkaar tegen, los van werkkring en stand, als gelijken, als leden van een familie, als broeders en zusters van Jezus, die God zijn Vader noemde. Binnen de gemeente vinden we troost in verdriet, en delen we elkaars vreugde, in een gezamenlijk besef van onze afhankelijkheid. Daar is ruimte voor het gesprek over levensvragen, voor het geloofsgesprek, over liefde en dood. Daar mogen we ons veilig weten als we onze uiteenlopende visies op het leven delen, zonder oordeel, in de zekerheid en de twijfel van het geloof. Onze zoektocht naar de zin en de bedoeling van het leven, ons heimwee naar een betere wereld die nooit heeft bestaan, dat alles roept steeds nieuwe vragen op. Levensbeschouwing is het bezig zijn met deze vragen, zonder definitieve antwoorden te vinden.

Het christelijke geloof, de christelijke traditie, biedt een kader voor deze zoektocht. Bij dit kader past de visie dat de mens niet het hoogste gezag in de wereld is, zodat ook niemand in wezenlijke zin ondergeschikt is aan een ander mens. Ieder mens is bedoeld, als deel van de gemeenschap van mensen. Dat is de basis van de fundamentele gelijkwaardigheid van elk mensenleven, hoe verschillend we ook zijn. Die visie biedt tegenwicht aan onze cultuur, waarin de individuele mens zelf uitmaakt wat goed en kwaad is, en alleen aan zichzelf verantwoording schuldig is. Daar wordt de waarde van elk mens bepaald door zijn marktwaarde, door wat hij kan, of door zijn uiterlijke verschijning, met ongelijkwaardigheid als gevolg. Maar we hoeven het leven niet te verdienen. We mogen er zijn. Het leven is ons gegeven als een geschenk, met de bedoeling dat met elkaar te delen, zoals we dat doen met het brood van het leven, en de wijn van het koninkrijk. Zo kan de gemeente een oefenplaats zijn met het oog op de samenleving, voor een betere wereld. Daar moet iedereen welkom zijn, wie leeft uit de zekerheid van het geloof, en evenzeer degene voor wie geloofswaarheden vervagen.

Gerard Nienhuis

terug