Identiteit Identiteit

Identiteit
 
Wat maakt dat we ons al of niet thuis voelen in ons dorp, in ons land? Wat voor land willen we zijn? Dat is de vraag naar identiteit, naar eigenheid. Deze vraag wordt in onze tijd vaak gesteld, door opiniemakers in de media, en door politici op campagne. Maar het is ook een vraag voor ons allen persoonlijk. Wie ben ik? Wie wil ik zijn? Waar sta ik? Het doet denken aan de vraag van de Schepper in het verhaal van de zondeval: mens, waar ben je? Daar is het een vraag die schaamte oproept, waarvoor de mens graag wegduikt.
 
De identiteit van ons land wordt vaak getypeerd door idealen: recht, vrijheid, tolerantie, gemeenschapszin. Die worden lang niet altijd gerealiseerd. Maar daar zijn het idealen voor. Vooral onze tolerantie staat onder flinke druk. Een ideaal is als een baken op een onbereikbare kust, maar dat ons wel de juiste koers wijst. Wie de identiteit van ons land vooral ziet in hoe het vroeger was heeft vaak moeite om ruimte te bieden aan mensen met een andere identiteit, met een ander geloof, met andere gewoonten. Vaak wordt nu gezegd dat de identiteit van Nederland wordt bepaald door de joods-christelijke cultuur, ook door mensen die in hun gedrag en uitspraken weinig binding tonen met het christelijk geloof. In de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog werden de joodse en de christelijke cultuur overigens vaak als tegenpolen gezien. De positie toen van de joodse gemeenschap in Nederland was in veel opzichten vergelijkbaar met die van de moslims nu.
 
Een centrale vraag in het christelijk geloof betreft de identiteit van Jezus: wie is Jezus? In de komende Adventstijd staat zijn komst centraal, en worden we opnieuw bij deze vraag bepaald. Daarop komen we verschillende antwoorden tegen, ook in de evangeliën. In de traditie van de kerk wordt Jezus aangeduid als de zoon van God. Dat verwijst naar het getuigenis in de evangeliën, van een stem uit de hemel nadat Jezus zich door Johannes liet dopen: dit is mijn geliefde zoon. Jezus spreekt niet over zichzelf als de zoon van God, maar als de Mensenzoon. Het is waar dat hij God aanspreekt als zijn Vader, maar hij leert zijn leerlingen om dat ook te doen.
 
Ook het proces en de executie van Jezus draait om de vraag wie hij eigenlijk is. Hij wordt tweemaal berecht. Eerst in een zitting van de schriftgeleerden en de oudsten van het volk, onder voorzitterschap van Kajafas, de hogepriester. Die hadden al tevoren besloten dat Jezus ter dood moest worden gebracht, omdat zij als gevolg van diens verkondiging hun gezag over het volk dreigden te verliezen. Na lang zoeken en horen van getuigen wordt als aanklacht godslastering aangevoerd, omdat Jezus zichzelf de zoon van God zou hebben genoemd. Dat is godslastering, waarop de doodstraf staat. Maar voor de executie hebben ze de Romeinse overheid nodig, in de persoon van Pilatus, de prefect. Die had geen boodschap aan de Joodse wetten, en er moest een andere reden worden aangevoerd. De hogepriester en de oudsten beweerden toen dat Jezus zichzelf koning van de Joden zou hebben genoemd, en daarmee het gezag van de Romeinse keizer had aangetast. Dat was een leugen, zoals Pilatus ook vaststelde. Maar om oproer te voorkomen leverde Pilatus Jezus toch over aan Romeinse soldaten om gekruisigd te worden. De valse beschuldiging dat Jezus van Nazareth zich de koning van de Joden noemde werd op het kruis bevestigd, zoals nog zichtbaar is op vele kruisbeelden.
 
Het koninkrijk dat Jezus verkondigde heeft geen wereldse macht. Juist daarom is het met zijn dood niet afgelopen. De evangeliën getuigen van zijn opstanding en zijn verschijningen, die leidden tot het ontstaan van de christelijke gemeente. In de veelkleurigheid van de kerk en ook in de wereld buiten de kerk wordt de vraag naar wie Jezus is op vele manieren beantwoord. Een gemeenschappelijke kern daarin is dat Gods woord in Jezus mens is geworden, en dat wij Jezus kunnen tegenkomen, juist in de machteloze, en in de minste van zijn broeders. Dat mag onze identiteit bepalen.
 
Gerard Nienhuis

terug